BINDING EN INTIMITEIT

Binding: een kwestie van vertrouwen

Intimiteit: we verlangen er allemaal naar, en tegelijk kan het ook beangstigend zijn. We lopen in ons leven het meeste verdriet op bij degenen met wie we intiem zijn. In een liefdesrelatie wordt de intimiteit zo sterk dat we de ander gaan ervaren als deel van onszelf. Uit hersenonderzoek blijkt dat we informatie over onze intieme partner op dezelfde manier verwerken als informatie over onszelf. En een breuk met een intieme partner doet op precies dezelfde manier pijn alsof een eigen lichaamsdeel is geamputeerd. Ondanks al die risico’s, blijven we instinctief intimiteit zoeken in relaties. De mens is een dier dat zich wil binden en hechten. Wat bepaalt of je dit op een bevredigende, evenwichtige en ontspannen manier kunt doen, met behoud van je eigenheid?

 

Bindingsangst en bindingsdrang

Een persoonlijkheidskenmerk dat een belangrijke rol speelt in intieme relaties is hechtingsstijl. Je hechtingsstijl wordt mede beïnvloed door je relatie tot je ouders (of verzorgers) in je kinderjaren. Die kan bepalend zijn voor hoe je als volwassene omgaat met intimi, zoals je partner, goede vrienden, naaste familie en kinderen. Als je van je ouders de boodschap krijgt dat je leuk en waardevol bent zoals je bent, en dat ze er onvoorwaardelijk voor je zijn, leer je andere mensen en jezelf te vertrouwen en ontwikkel je een veilige hechtingsstijl. Krijg je daarentegen weinig aandacht en liefde, word je niet gezien of geaccepteerd zoals je bent, of krijg je tegenstrijdige signalen (soms wel aandacht, soms niet), dan ontwikkel je een onveilige hechtingsstijl. Daar zijn verschillende varianten van, die we bijvoorbeeld kennen als bindingsangst of juist sterke bindingsdrang en verlatingsangst.

Er zijn vier verschillende typen hechtingsstijlen, die zijn te plaatsen op twee dimensies. Ze zijn weergegeven in de afbeelding hieronder.

Mensen die veilig gehecht zijn, voelen zich op hun gemak in intieme relaties. Ze durven an­deren te vertrouwen en ze vertrouwen er op dat ze waardevol genoeg zijn om geliefd te worden. Angstig-obsessieve mensen hebben dit vertrouwen niet, ze zijn bang om ver­laten te worden. Ze willen het liefst helemaal samensmelten met een ander en maken zich in relaties veel zorgen of de partner wel echt van hen houdt. Afwijzend-vermijdende mensen willen hun onafhankelijkheid bewaren en stellen zich afhoudend op wat betreft intimiteit, om­dat ze anderen niet helemaal vertrouwen. Angstig-vermijdende mensen zijn in hun hart bang om afgewezen te worden, omdat ze denken niet leuk genoeg te zijn, en stellen zich daarom eveneens terughoudend op in relaties. Anders dan afwijzende mensen verlangen ze wel naar binding en intimiteit, maar ze durven zich niet echt te geven.

In de afbeelding hebben de twee typen aan de linkerkant met elkaar gemeen dat ze vermijdend zijn in relaties, terwijl de twee typen aan de rechterkant zich wel willen binden. De twee typen aan de onderkant van de figuur zijn beiden angstig/gespannen: ze zijn er niet gerust op zijn dat het goed afloopt in relaties. De twee typen aan de bovenkant maken zich minder zorgen, ze zijn niet gespannen.

Een combinatie van hoge vermijding en hoge gespannenheid levert dus het type "angstig-vermijdend"; een combinatie van een lage score op beiden levert een veilige hechtingsstijl. Hoge vermijding met weinig spanning kenmerkt de afwijzend-vermijdende persoon, en lage vermijding met veel spanning typeert de angstig-obsessieve persoon. De term ‘bindingsdrang’ verwijst naar deze laatste categorie; de term ‘bindingsangst’ kan verwijzen naar beide varianten van vermijding. De uitspraak “Bindingsangst is eigenlijk verlatingsangst” is juist, maar bedenk dat verlatingsangst van toepassing is op alledrie de onveilige hechtingsstijlen – bij de ene categorie meer onbewust dan bij de andere: bij angstig-obsessieve mensen is de angst het meest aan de oppervlakte, bij afwijzend-vermijdende mensen het minst.

In het algemeen heeft 70 tot 80% van de bevolking een overwegend gezonde, veilige hechtingsstijl. De overige mensen zijn ongeveer gelijk verdeeld over de drie onveilige hechtingsstijlen.

 

Ik ben OK, jij bent OK

Een andere manier om de twee dimensies te beschrijven is in termen van vertrouwen. De twee onderste hechtingsstijlen, met een hoge mate van spanning, worden gekenmerkt door weinig zelfvertrouwen. Beide typen missen een basisgevoel dat ze de moeite waard zijn om geliefd te worden. De twee typen aan de bovenkant hebben een gezonde dosis zelfwaardering. Van links naar rechts verschillen de hechtingsstijlen in vertrouwen in anderen. De typen aan de rechterkant hebben vertrouwen in anderen (en met name de partner), aan de linkerkant ontbreekt dat vertrouwen. Ze hebben het idee dat anderen je uiteindelijk in de steek laten en dat je van niemand echt op aan kunt.

Voor een gezonde hechting is zelfvertrouwen en vertrouwen in de ander nodig. In jaren-70-taal, de basishouding is: Ik ben OK, jij bent OK. Bij de andere drie hechtingsstijlen ontbreekt minimaal een van deze componenten. De houding van angstig-obsessieve mensen is: Ik ben niet OK (laag zelfvertrouwen), jij bent OK. Deze mensen klampen zich vaak vast aan hun partner, die ze soms zien als de ‘verlosser’ of als hun verbinding naar de wereld. Ook blijven ze te lang doorgaan met relaties die ongezond voor hen zijn, bijvoorbeeld met een partner die hen als ‘deurmat’ behandelt of die zelf bindingsproblemen heeft en niet over de brug komt. Angstig-obsessieve mensen zijn allang blij dat ze iemand ‘hebben’, en missen het zelfvertrouwen om eruit te stappen en op eigen benen te gaan staan. In een ongezonde relatie wordt hierdoor hun zelfvertrouwen vaak nog verder ondermijnd. Voor een gezonde, veilig gehechte partner is een relatie met een angstig-obsessieve persoon ook geen onverdeeld genoegen: ze piekeren veel over zichzelf, betrekken veel dingen op zichzelf (bijvoorbeeld: als een ander een slechte bui heeft, betrekken ze dit op zichzelf terwijl het natuurlijk best ergens anders aan kan liggen), vragen veel aandacht en bevestiging en doen voortdurend een beroep op de partner, desnoods door in de slachtofferrol te kruipen. Hierdoor vergroten ze zelf de kans dat hun angst uitkomt en de partner afhaakt. Als de partner toegeeft door voortdurend steun en bevestiging te bieden wanneer dat gevraagd wordt, wordt daarmee het ongezonde patroon alleen maar versterkt.

Angstig-vermijdende mensen hebben eveneens een laag zelfvertrouwen, maar zij hebben tevens weinig vertrouwen in anderen: Ik ben niet OK, jij bent niet OK. Ze hebben wel een sterk verlangen naar binding – net zo sterk als de angstig-obsessieve mensen – maar wanneer de intimiteit in een relatie groeit, trekken ze zich terug: het bekende aantrekken–afstoten-patroon. Ze hebben het idee dat de partner afknapt als ‘ie hen écht leert kennen, en dat willen ze voorkomen. Anders dan angstig-obsessieve mensen, tonen deze mensen zichzelf niet echt in een relatie, uit angst om ‘door de mand te vallen’ of de ander tot last te zijn. Ze houden zich meer op de achtergrond en durven weinig te vragen of eisen van hun partner.

Afwijzend-vermijdende mensen hebben een positiever zelfbeeld dan de andere onveilige categorieën (zij het niet zo positief als mensen met een veilige hechting). Hun probleem is vooral dat ze weinig vertrouwen hebben in anderen: Ik ben OK, jij bent niet OK. Vaak zijn dit mensen die als kind zijn verwaarloosd, weinig emotionele steun hebben gehad en alles zelf moesten oplossen. Dat hebben ze al doende geleerd en daarmee zijn deze mensen vaak goed terecht gekomen. Ze zijn vaak succesvol in werk, ze kunnen ook makkelijk veel vrienden hebben en heel spontaan en gezellig zijn. Hun probleem ontstaat pas bij echte intimiteit, en meestal ervaren ze het zelf niet eens als een probleem. Het is veel meer een probleem voor de partner. Hun emotionele onafhankelijkheid is voor afwijzend-vermijdende mensen erg belangrijk. In feite weten ze ook niet wat ze missen: ze hebben geen sterk verlangen naar intimiteit, hebben dat meestal zelfs nooit ervaren. Er zijn aanwijzingen (bijvoorbeeld uit een onderzoek naar weeskinderen uit voormalig Joegoslavië, die vanaf hun babytijd sterk emotioneel verwaarloosd waren) dat deze mensen nauwelijks oxytocine aanmaken (‘knuffelhormoon’ dat een cruciale rol speelt bij binding, bij alle monogame diersoorten). Ligt de oorzaak in de kindertijd, dan is er dus weinig hoop dat zo iemand nog ‘bekeerd’ kan worden tot intimiteit. Dat is goed om te weten, met name voor angstig-obsessieve types die vaak jarenlange projecten van maken van zo’n relatie…

 

Soort zoekt soort?

Daarmee komen we terecht bij de vraag: wie hebben er relaties met wie? Omdat verreweg de meeste mensen veilig gehecht zijn, is de kans groot dat je bij een willekeurige relatie een veilig gehechte persoon treft. In de eerste fase van verliefdheid zijn bijna alle mensen wat obsessief, dus dan is er ook nog niet zoveel aan de hand. Echte intimiteit kan in feite pas daarná onstaan, als je uit je roze wolk rolt en elkaar werkelijk gaat zien. Of de relatie dan stand houdt, hangt mede af van de combinatie.

Vermijdende mensen (angstig of afwijzend) zullen sowieso zelf eerder uit een relatie stappen, en angstige mensen (vermijdend of obsessief) worden vaak door de partner als onmogelijk ervaren. Juist een veilig gehechte partner zal zo’n relatie sneller verbreken, vanuit een basisvertrouwen dat iets beters mogelijk is. In de praktijk zie je dan ook vaak dat mensen met onveilige stijlen ofwel single zijn (met name de categorieën angstig-vermijdend en afwijzend-vermijdend zijn met elk 20% oververtegenwoordigd onder de singles), ofwel een relatie met elkáár hebben.

Uit mijn eigen onderzoek onder ca. 500 stellen bleek dat veilig gehechte mensen vaker relaties hebben met andere veilig gehechte partners, vergeleken met de drie onveilige typen. Angstig-obsessieve mensen hebben relatief vaak relaties met afwijzende partners: terwijl de kans dat een willekeurige partner afwijzend is slechts ± 10 % is, had een derde van de angstig-obsessieve deelnemers een afwijzende partner (dus ongeveer 3 x zoveel als je op grond van toeval mag verwachten). Omgekeerd hebben afwijzend-vermijdende mensen ook relatief vaak relaties met angstig-obsessieve partners: een derde van de afwijzende deelnemers had een angstig-obsessieve partner, dus ook weer veel meer dan je op grond van toeval mag verwachten.

Wat hier oorzaak en gevolg is, is moeilijk te zeggen. Het is denkbaar dat mensen obsessie­ver worden wanneer ze een partner hebben die vermijdend is, en dat ze juist ver­mijdender worden wanneer ze een partner hebben die er erg bovenop zit (obsessief). Voor een deel zal dit zeker meespelen, omdat de hechtingsstijl van de partner de eigen hechtingsstijl beïnvloedt. Maar het omgekeerde speelt ook mee: angstig-obsessieve mensen hebben een bepaald beeld van relaties (bijvoorbeeld dat je altijd enorm je best moet doen om liefde te winnen) en zijn wellicht onbewust geneigd om partners te kiezen die dat beeld bevestigen. Ook zullen ze een afwijzende partner minder snel verlaten dan veilig gehechte mensen. Veilig gehechte mensen hebben bij een vermijdende partner meer vertrouwen dat ze wel iemand kunnen vinden die van hen houdt zonder dat ze er zo hard aan moeten trekken. Maar angstige mensen zijn daar minder gerust op, dus ze klampen zich meer vast aan wat ze hebben. Omgekeerd zullen mensen met een vermijdende stijl niet snel een relatie aanknopen met een andere vermijdende persoon, omdat ze diep in hun hart erg bang zijn voor verlating. Ze zullen dus eerder onbewust iemand kiezen die obsessief gehecht is, want dat is iemand die je niet gauw zal verlaten. Door dit soort mechanismen kunnen bestaande hechtingspatronen zichzelf in stand houden.

 

Kan je hechtingsstijl veranderen?

Hoewel de bronnen van de hechtingsstijl vaak in de kindertijd en vroege jeugd liggen, kan hechtingsstijl wel veranderen in de loop van iemands leven, onder invloed van relatie-ervaringen (met name de angstige stijlen, maar ook een beperkte mate van afwijzendheid waarbij de oxytocine-voorziening nog wel werkt). In een langdurige relatie neemt je partner in feite de rol over van je ouder(s) wat betreft intimiteit en binding, en kan daarmee op vergelijkbare wijze van invloed zijn op hechtingsstijl. Dit kan wel jaren duren, vertrouwen moet immers heel langzaam groeien. Het goede nieuws is dat daarbij de meest veilig gehechte persoon vaak de toon zet. Een angstig gehecht iemand in een relatie met een veilig gehechte partner, zal zich in de loop der jaren steeds meer geliefd en geaccepteerd gaan voelen, waardoor het gevoel van veiligheid en het zelfvertrouwen toeneemt.

Dit vereist natuurlijk wel dat de relatie stand houdt en dat is nu vaak het probleem, zoals we hierboven zagen. Niettemin bleek uit mijn onderzoek ook dat hechtingsstijlen veel dynamischer zijn dan je zou verwachten op grond van de hechtingstheorie, die stelt dat het allemaal door de opvoeding wordt bepaald. Ongeveer een derde van de deelnemers bleek in de loop van een paar jaar van hechtingsstijl te zijn veranderd. Degenen die aan het begin van het onderzoek veilig gehecht waren en dat aan het eind nog steeds waren, waren overwegend mensen die gedurende het onderzoek steeds dezelfde relatie hadden. Van de veilig gehechte mensen die in de loop van het onderzoek single waren geworden, was de helft naderhand niet veilig gehecht. Deze mensen waren gemiddeld iets meer angstig (vermijdend of obsessief) geworden. Dit kan het (tijdelijke) effect zijn van een breuk of een teleurstellende ervaring.

Van de mensen die aan het begin van het onderzoek angstig-obsessief waren, bleek een groot deel veranderd van hech­tingsstijl. Degenen die toen een relatie hadden en later nog steeds dezelfde relatie, waren veiliger geworden. Hetzelfde gold voor deelnemers die aan het begin vermijdend (afwijzend of angstig-vermijdend) waren; ook zij werden vaak veiliger, met name degenen die toen een relatie hadden en aan het eind nog steeds dezelfde relatie.

De algemene conclusie is dat veilige hechting over de tijd stabieler is dan onveilige; bij onveilig gehechte personen treedt vaker een verandering op. Veilig gehechte mensen worden vaak angstiger of vermijdender na een relatiebreuk, maar als ze weer een relatie krijgen (en dat gebeurt meestal binnen een paar jaar), kan dat makkelijk weer ‘bijtrekken’. Onveilig gehechte mensen worden relatief vaak veilig onder invloed van een langdurige relatie.

Dit betekent niet dat het een goed idee is om relaties hoe dan ook in stand te houden. Juist voor mensen met een onveilige hechtingsstijl is het cruciaal om tijdig uit relaties te stappen die onveilige patronen bevestigen en bestendigen. Hoe eerder je uit zo’n relatie stapt, hoe groter de kans dat je de ongezonde spiraal kunt keren. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat dit ook daadwerkelijk gebeurt in de loop der tijd, ook bij angstig gehechte mensen.

Voor de coach/begeleider betekent dit dat de aandacht met name gericht moet worden op de relatieervaringen en de keuzes van de cliënt. Je kunt door een inzichtgevend gesprek iemands hechtingsstijl niet veranderen, maar wel iemand tot het inzicht brengen dat een relatie hem of haar meer kwaad dan goed doet. Als dit zich vertaalt naar gedrag, is de eerste stap naar werkelijke verandering gezet. Omdat de meeste mensen veilig gehecht zijn, en omdat veiligheid ‘wint’ bij een match, is er voor iedereen ruim gelegenheid om nieuwe ervaringen op te doen en een veilige hechtingsstijl te ontwikkelen: om werkelijk dicht bij de ander te komen, zonder van je sokken te gaan.

Test je hechtingsstijl:

http://www.zelfkennis.nl/testen: test 'binding en vertrouwen'.

Auteur:

Prof. dr. Roos Vonk is hoogleraar psychologie en tevens spreker/trainer. Haar specialismen zijn de eerste indruk, zelfkennis, authenticiteit, leiderschap en inspiratie. Ze geeft geregeld lezingen en publiceert over deze en andere onderwerpen. Ze is vaste columniste voor Psychologie Magazine